Ach dood, hoe bitter is de gedachte aan u Voor den man, die rustig in zijn woning zit; Voor den man zonder zorgen, wien alles gelukt, Die nog kracht bezit, om het genot te plukken.
Maar dood, hoe goed is uw lot Voor den armen man, wiens kracht is gesleten; Voor den man, die struikelt en tegen alles zich stoot, En lastig wordt, omdat hem geen hoop meer blijft.
Dit is het lot, dat God aan alle vlees heeft beschoren. Waarom dan de Wet van den Allerhoogste gevloekt? Hetzij duizend jaar of honderd of tien: Het dodenrijk verantwoordt het niet.
Vermenigvuldigt gij u, het is tot schade, En als gij zonen verwekt, tot zuchten; Komt gij ten val, het is een blijvende vreugde, En sterft gij, dan is het tot vloek.
Hoort, kinderen, de les over de schaamte, En schaamt u, zoals ik het u leer: Niet iedere schaamte komt te pas, Niet alle blozen is goed.