Een leerdicht van Asaf.Wend het oor, mijn volk, tot mijn leer,neigt uw oor tot de woorden van mijn mond;
dat willen wij voor hun kinderen niet verhelen;wij willen vertellen aan het volgende geslachtdes Heren roemrijke daden, zijn krachten de wonderen die Hij gewrocht heeft.
Hij richtte een getuigenis op in Jakoben stelde een wet in Israël,die Hij onze vaderen geboodhun kinderen te leren,
opdat het volgende geslacht die zou kennen,de kinderen, die geboren zouden worden,dat zij zouden opstaan om ze te vertellen aan hun kinderen:
opdat die hun vertrouwen op God zouden stellen,en Gods werken niet vergeten,maar zijn geboden bewaren;
en niet worden gelijk hun vaderen,een weerbarstig en weerspannig geslacht,een geslacht, onstandvastig van hart,en welks geest niet trouw was jegens God.
Maar zij bleven verder tegen Hem zondigen,zij waren in de wildernis weerspannig tegen de Allerhoogste;
Zie, Hij sloeg de rots, dat er water vloeide,en beken stroomden;zou Hij ook brood kunnen geven,of vlees verschaffen aan zijn volk?
Daarom werd de Here, toen Hij het hoorde, verbolgen,en een vuur ontbrandde tegen Jakob,ook verhief zich toorn tegen Israël,
daar verhief Gods toorn zich tegen hen,richtte een slachting aan onder hun welgedanenen velde de jonge mannen van Israël neder.
Maar Hij, de barmhartige, verzoendede ongerechtigheid en verdierf niet;Hij wendde menigmaal zijn toorn afen wekte zijn volle grimmigheid niet op;
Hij zond tegen hen zijn brandende toorn,verbolgenheid en angstwekkende gramschap,een schare van verderfengelen.
Hij baande een pad voor zijn toorn,Hij behoedde hun zielen niet voor de dood,maar gaf hun leven prijs aan de pest.
Hij verdreef volken voor hen uit,mat hun die toe als erfelijk bezit,en liet Israëls stammen in hun tenten wonen.
Maar zij verzochten God en waren weerspannigtegen Hem, de Allerhoogste,en onderhielden zijn getuigenissen niet;
van achter de zogende schapen haalde Hij hem,om Jakob, zijn volk, te weiden,en Israël, zijn erfdeel.