Maar nu lachen mij uit,wie jonger van jaren zijn dan ik,wier vaders ik te min vondom bij de honden van mijn kudde te zetten.
mensen, die door gebrek en honger uitgeput,het dorre land afknagen,de struiken van woestijn en woestenij;
want Hij heeft mijn tentkoord losgemaakt en mij vernederd,en tegen mij hebben zij de teugel gevierd.
Ter rechterzijde verheft zich het gebroed,mijn voeten stoten zij wegen banen tegen mij hun onheilspaden;
Verschrikkingen worden over mij uitgestort;als een wind wordt mijn aanzien weggevaagd;en mijn geluk is als een wolk vervlogen.
Waarlijk, zal men tot de neergestorte de hand niet uitstrekken,indien hij in zijn ongeluk hulpeloos is?
Job 30 · KJV Audio
0:000:00