Wat is de Almachtige, dat wij Hem zouden dienen,en wat baat het ons, dat wij bij Hem zouden aandringen?
(Gij zeidet:) Zie, hun voorspoed staat niet in hun eigen macht,de raadslag der goddelozen is verre van mij.
Hoe dikwijls wordt de lamp der goddelozen uitgeblust,en komt hun verderf over hen,deelt Hij hun in zijn toorn smarten toe!
God spaart zijn onheil op voor zijn zonen.(Maar ik zeg:) Hij moest het hemzelf vergelden,dan zou hij het merken;
zijn eigen ogen moesten zijn verderf aanschouwen,en zelf moest hij drinken van de grimmigheid des Almachtigen.
Want wat bekommert hij zich om zijn gezin na zijn dood,wanneer het getal zijner maanden is afgesneden?
dat gij zegt: Waar is het huis van die machthebber gebleven?En waar is de tent die de goddelozen bewoonden?
Hebt gij geen navraag gedaan bij hendie op de weg voorbijtrekken –gij kunt hun aanwijzingen toch niet loochenen –
dat de bozen ten dage des verderfs bewaard worden,en ten dage van (Gods) verbolgenheid in veiligheid gebracht?
Zacht dekken hem de kluiten in het dal,iedereen sluit zich aan achter hem,en voor hem uit (gaan) ontelbaren.