Voorzeker, het gejubel der goddelozen duurt kort,en de vreugde der godvergetenen slechts een ogenblik.
Het moeizaam verworvene moet hij afgeven,– hij kan het niet doorslikken; –evenals het vermogen, door zijn ruilhandel verkregen,zonder dat hij er genot van heeft.
Want hij heeft geringen verbrijzeld, aan hun lot overgelaten,een huis geroofd, maar hij kan het niet opbouwen.
Om zijn buik te vullenlaat (God) zijn brandende toorn tegen hem los,die Hij op hem doet neerregenen als zijn spijze.
Hij moge (de pijl) uittrekken, zodat deze zijn rug uitgaat,en de schicht uit zijn gal te voorschijn komt:doodsschrik komt over hem.
Algehele duisternis is bewaard voor wat hij spaart;een vuur, niet (door mensen) aangeblazen, verslindt hemen verteert wat in zijn tent overig is.