Want wie in tongentaal spreekt, spreekt niet tot de mensen maar tot God. Niemand verstaat hem, en wat hij door toedoen van de Geest zegt, is een mysterie.
Ik zou willen dat jullie allen in tongentaal spreken, maar nog liever dat jullie profeteren. Want wie profeteert, overtreft degene die in tongentaal spreekt, tenzij die laatste het vertaalt en de kerkgemeenschap wordt opgebouwd.
Nu, broeders en zusters, als ik bij jullie kom en in tongentaal spreek, wat hebben jullie daar dan aan, tenzij ik jullie ook toespreek met een openbaring, kennis, een profetie, of onderwijs?
Het is als bij levenloze voorwerpen die geluid voortbrengen, zoals een fluit of een harp. Als ze geen duidelijke tonen voortbrengen, hoe kan men dan weten welk lied er wordt gespeeld?
Zo is het ook met jullie: als hetgeen je in tongentaal zegt geen begrijpelijke boodschap vormt, kan men toch niet weten wat er wordt gezegd? Dan verwaaien je woorden.
Maar als ik niet versta wat er wordt gezegd, ben ik een vreemde voor degene die het zegt en is hij een vreemde voor mij.
Zo is het ook met jullie. Jullie ambiëren de gaven van de Geest; ambieer dan de gaven waardoor de kerkgemeenschap wordt opgebouwd.
Wat behoor ik dus te doen? Ik zal bidden met mijn geest, maar ik zal ook bidden met mijn verstand. Ik zal zingen met mijn geest, maar ik zal ook zingen met mijn verstand.
Hoe anders zou iemand die het net als de buitenstaanders niet verstaat, ‘amen’ kunnen zeggen wanneer je God prijst met gebruik van je geest? Hij weet immers niet wat je zegt.
In de samenkomst van de kerkgemeenschap spreek ik echter liever vijf begrijpelijke woorden om anderen te onderrichten, dan tienduizend woorden in tongentaal.
Broeders en zusters, wees niet onvolwassen in je denken, maar wees onervaren in het kwaad en volwassen in je denken.
In de Wet staat: “Ik zal tot dit volk spreken via mensen die vreemde talen spreken en via de lippen van vreemdelingen, en zelfs dan zullen ze niet naar Mij luisteren, zegt de Heer.”
Het spreken in tongentaal is dus een teken dat niet bedoeld is voor de gelovigen, maar voor de ongelovigen, terwijl een profetie niet bedoeld is voor ongelovigen maar voor gelovigen.
Wanneer de hele kerkgemeenschap bijeenkomt en iedereen in tongentaal spreekt en wanneer er dan buitenstaanders of ongelovigen binnenkomen, zullen ze dan niet zeggen dat jullie je verstand kwijt zijn?
Maar wanneer allen profeteren en er een ongelovige of buitenstaander binnenkomt, zal hij door hen allen aangesproken en overtuigd worden.
De geheimen in zijn hart zullen blootgelegd worden en daarom zal hij in aanbidding voor God neervallen en uitroepen: ‘God is werkelijk bij jullie!’
Hoe zit het dan, broeders en zusters? Wanneer jullie bijeenkomen, heeft ieder iets: een psalm, onderwijs, een openbaring, tongentaal, of de vertaling daarvan. Dat alles moet opbouwend zijn.
Laat twee of hooguit drie mensen in tongentaal spreken, en om beurten. Ook moet iemand het vertalen.
Als er niemand is om het te vertalen, moet de persoon zich stil houden in de samenkomst en in tongentaal spreken wanneer hij met God alleen is.
Er mogen twee of drie mensen spreken die de gave van profetie hebben; dan moeten de overigen het zorgvuldig beoordelen.
En als een andere aanwezige een openbaring ontvangt, moet de persoon die aan het woord is zich stil houden.
moeten de vrouwen zich stil houden in de samenkomst. Ze mogen niet kwebbelen, maar moeten zich schikken, zoals ook in de Wet staat.
En als ze iets te weten willen komen, moeten ze dat thuis aan hun echtgenoot vragen, want het hoort niet dat een vrouw praat in de samenkomst van de kerkgemeenschap.
Wie meent dat hij een profeet of een geestelijk persoon is, zou moeten erkennen dat hetgeen ik jullie schrijf een gebod van de Heer is.