Hoe schoon zijn uw schreden in de sandalen,vorstendochter!De welvingen van uw heupen zijn als sieraden,werk van meesterhanden.
Uw navel is een welgerond bekken,waaraan geen gemengde wijn ontbreke;uw schoot is een tarwehoop,omzoomd met leliën.
Uw hals is als de ivoren toren,uw ogen zijn als de vijvers van Chesbonbij de poort Bat-Rabbim,uw neus is als de toren van de Libanon,uitziende op Damascus.
Ik zeide: Ik wil die palm beklimmenen zijn vruchtentrossen plukken.Mogen uw borsten als druiventrossen zijn,de geur van uw adem zij als appels,
uw verhemelte als de kostelijkste wijn . . .– . . . die regelrecht mijn geliefde toestroomt,en in zijn slaap naar zijn lippen vloeit.
Laten wij vroeg naar de wijngaarden gaanen zien of de wijnstok uitbot,of de bloesems zijn opengesprongen,de granaten bloeien.Daar zal ik u mijn liefde geven.