Chapter 7 of 8

Hooglied7

1

Hoe sierlijk uw passen In de sandalen, vorstendochter; Uw wiegende heupen als snoeren, Door meesterhanden gemaakt.

2

Uw navel een welgerond bekken, Waarin geen wijn mag ontbreken; Uw lijf een tarweschelf, Van lelies omringd.

3

Uw beide borsten twee hertenwelpen, Tweelingen van een gazel;

4

Uw hals een toren van ivoor, Uw ogen als de vijvers van Chesjbon, Bij de poort der volkrijke stad; Uw neus als de Libanon-spits, Die naar Damascus ziet.

5

Het hoofd op u als de Karmel. Uw lokken als purper, In uw vlechten ligt een koning gevangen.

6

Wat zijt ge schoon, wat zijt ge bevallig, Een liefste vol bekoorlijkheid!

7

Uw slanke leest is als een palm, Uw borsten trossen van druiven.

8

Ik dacht: Ik wil de palm beklimmen, Zijn dadels grijpen. Uw borsten mogen voor mij zijn Als druiventrossen uit de wingerd; De geur van uw adem als appels,

9

Uw mond als de edelste wijn….Die rechtens naar mijn beminde stroomt, Maar afgeleefde lippen ontvliedt!

10

Neen, ik blijf van mijn beminde, En zijn verlangen gaat uit naar mij! …

11

Ach kom, mijn beminde, Gaan wij uit naar het veld; Laat ons overnachten in dorpen, Gaan wij vroeg de wijngaarden in.

12

Laat ons zien, of de wijnstok al uitbot, Of de bloesems zijn opengegaan, Of de granaten al bloeien: Daar zal ik u mijn liefde schenken!

13

De liefdeappelen verspreiden hun geur, Boven onze deur hangen de kostelijkste vruchten, Jonge vruchten en oude: Ik spaarde ze voor u, mijn beminde!

Hooglied 7 (nld_1939) — EdenLecta