– Als een appelboom onder de bomen des wouds,zo is mijn geliefde onder de jonge mannen.In zijn schaduw begeer ik te zittenen zoet is zijn vrucht voor mijn verhemelte.
Ik bezweer u, dochters van Jeruzalem,bij de gazellen of bij de hinden des velds:wekt de liefde niet op en prikkelt haar niet,vóórdat het haar behaagt.
Mijn geliefde is als een gazelof het jong van een hert.Zie, hij staat achter onze muur,kijkend door de vensters, spiedend door de traliën.
De bloemen vertonen zich op het veld,de zangtijd is aangebroken,en ’t gekir van de tortel wordt gehoord in ons land.
De vijgeboom laat zijn vroege vrucht zwellen,en de wijnstokken in bloei geven geur.Sta op, kom, mijn liefste,mijn schone, kom!
Mijn duif in de rotskloof,in de schuilhoek van de bergwand,laat mij uw gedaante zien,laat mij uw stem horen,want zoet is uw stemen uw gedaante is bekoorlijk.
Vangt ons de vossen,de kleine vossen,die de wijngaarden verderven,nu onze wijngaarden in bloei staan.