Heersers van landen door hun koningschap, Mannen van naam door hun kracht; Raadsheren door hun schranderheid, Profeten door hun voorzeggingen.
Leiders van volkeren door hun plannen, Vorsten door hun scherpzinnigheid; Wijze denkers door hun geleerdheid, Bestuurders door hun waakzaamheid.
Toch waren er anderen, die men niet meer gedacht; Zodra ze vergingen, was het uit. Ze zijn, als waren ze er nimmer geweest, En hun kinderen eveneens.
Noë werd rechtschapen en onberispelijk bevonden; In de tijd der verdelging werd hij een nieuwe stam. Om zijnentwil bleef er een rest behouden, Om het verbond met hem hield de zondvloed op;
Want hij volbracht de bevelen van den Allerhoogste, En sloot met Hem een verbond; Hij sneed zich het verbond in zijn vlees, En werd trouw bevonden in de beproeving.
Daarom beloofde Hij hem onder ede: De volkeren te zegenen in zijn zaad, Hem talrijk te maken als het zand op de aarde, Als de sterren zijn zaad te verheffen, Een bezit hun te geven van zee tot zee, Van de Eufraat tot aan de grenzen der aarde.