Geheel anders is hij, die zijn geest er op richt, Om de Wet van den Allerhoogste te begrijpen: Die de wijsheid van alle ouden doorvorst, En zich bezighoudt met de profetieën;
Die vasthoudt, wat beroemde mannen hebben geleerd, En tracht door te dringen in spreuken en strofen;
Temidden der groten verricht hij zijn dienst, En durft voor den vorst te verschijnen; Door het land van vreemde volken trekt hij rond, Want hij beproeft goed en kwaad bij de mensen.
Hij staat er op, vroeg te verschijnen voor zijn Schepper en Heer, Om voor het aanschijn van den Allerhoogste te bidden; Hij opent zijn mond tot gebed, En vraagt om vergeving van zijn zonden.
Zo het den oppersten Heer behaagt, Zal Hij hem vervullen met de geest van verstand; Dan zal hij woorden van wijsheid doen stromen, En Jahweh loven in zijn gebed.
Velen zullen zijn wijsheid prijzen, En nimmer wordt zij vergeten; Zijn gedachtenis zal nooit vergaan, Want zijn naam blijft leven van geslacht tot geslacht.
Zevende reeks. De wijsheid en de wederwaardigheden des levens. Inleiding. Lofzang op gods wijze leiding. Nog eenmaal wil ik mijn gedachten uiten; Want vol ben ik als de volle maan!
Luistert naar mij, gij vrome zonen, dan schiet gij loten Als een roos, die opbloeit aan een beek op het veld;
Dan verspreidt gij goede geur als wierook, En laat bloemen ontluiken als een lelie. Verheft uw stem en zingt een lied; Looft den Heer om al zijn werken.
Geeft glorie aan zijn Naam, En prijst Hem met een jubellied, Met harpgezang en citerspel; En zo moet gij uw loflied zingen:
Door zijn woord stelt Hij de wateren als een muur, Of door het bevel van zijn mond in zijn voorraadskamer
Hij blikt van eeuwigheid tot eeuwigheid, Geen grenzen zijn er voor zijn heil. Niets is Hem klein of gering, Maar ook niets wonderlijk of te zwaar.
Men moet dus niet zeggen: Waarom dit of dat? Want alles werd voor zijn doel bestemd. Niet zeggen: Dit is slechter dan dat; Want op zijn tijd is alles voortreffelijk.
De eerste behoefte voor 's mensen leven Zijn water en vuur, ijzer en zout, Het meel van de tarwe, melk en honing, Het sap van de druif, met olie en kleding.
Er zijn winden, die tot straf zijn geschapen, En de bergen doen schudden, als ze razen; Die op de dag van gramschap hun kracht laten zien, En de toorn van hun Schepper bedaren.
Zij allen werden met bedoeling geschapen, In zijn schuren bewaard, op hun tijd ontboden. Als Hij ze gebiedt, jubelen ze het uit; Worden ze geroepen, zijn bevelen weerstreven ze niet.