Als een ontmande, die in hartstocht een jonkvrouw onteert: Zo is hij, die een berisping geeft met geweld.
Soms vindt men vernedering in plaats van glorie, En anderen heffen na de vernedering het hoofd omhoog.
Hij geeft slechts weinig, maar doet veel verwijten, En zet zijn mond als een omroeper open. Vandaag zal hij lenen, morgen eist hij het terug; Hoe hatelijk is zo'n mens!
Die zijn brood eten, hebben een valse tong; Wat lachen zij hem dikwijls uit! Want zonder takt deelt hij uit, wat hij moest behouden, Met wat hij niet hoeft te behouden.
Wie wijs is in het spreken, brengt zichzelf vooruit; Want een verstandig mens behaagt aan de groten.
Giften en geschenken verblinden het oog van den wijze, En houden als een muilkorf de berisping terug in zijn mond.