Chapter 36 of 150

Psalmen36

Voor de koorleider. Van David, de knecht des Heren.

De zonde spreekt tot de goddeloze diep in zijn hart;– geen vrees voor God staat hem voor ogen –

want zij vleit hem in zijn eigen ogen,totdat men zijn ongerechtigheid ontdekt en haat.

De woorden van zijn mond zijn onheil en bedrog,hij laat na verstandig en goed te handelen;

op zijn legerstede beraamt hij onheil,hij stelt zich op een weg die niet goed is;wat kwaad is, verwerpt hij niet.

Here, hemelhoog is uw goedertierenheid,uw trouw reikt tot de wolken;

uw gerechtigheid is als de bergen Gods,uw gericht is een geweldige watervloed.Mens en dier verlost Gij, Here.

Hoe kostelijk is uw goedertierenheid, o God;daarom schuilen de mensenkinderenin de schaduw uwer vleugelen;

zij laven zich aan het vette van uw huis,Gij drenkt hen met de stroom van uw liefelijkheden.

Want bij U is de bron des levens,in uw licht zien wij het licht.

Bestendig uw goedertierenheid voor wie U kennen,en uw gerechtigheid voor de oprechten van hart.

Laat de trotse voet over mij niet komen,noch de hand der goddelozen mij doen vlieden.

Daar zijn de bedrijvers van ongerechtigheid gevallen;zij zijn neergestoten en kunnen niet opstaan.

Psalmen 36 · KJV Audio
0:00
0:00