Chapter 2 of 150

Psalmen2

Waarom razen de volken, Bluffen de naties,

Komen de koningen der aarde bijeen, Spannen de vorsten samen tegen Jahweh en zijn Gezalfde:

“Laat ons hun ketens verbreken, Ons van hun boeien ontslaan!”

Die in de hemelen woont, lacht hen uit, Jahweh bespot ze;

Dan dreigt Hij ze toornig, Doet ze rillen voor zijn gramschap:

“Ik zelf stel Mij een koning aan, Op Sion, mijn heilige berg!”

Nu wil Ik Jahweh’s beslissing verkonden; Hij heeft Mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon; Ik heb U heden verwekt.

Vraag Mij: dan geef Ik U de volkeren tot erfdeel, En de grenzen der aarde tot uw bezit;

Gij moogt ze vermorzelen met ijzeren knots, En stuk slaan als een aarden pot.

Koningen, bedenkt het dus wel; Weest gewaarschuwd, wereldregeerders!

Dient Jahweh in vreze; Beeft, en kust Hem de voeten!

Anders ontsteekt Hij in toorn, en loopt gij uw verderf tegemoet, Want licht kan zijn gramschap ontvlammen. Gelukkig, wie tot Hem zijn toevlucht neemt!

Psalmen 2 · KJV Audio
0:00
0:00