Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij mij verlaten,verre zijnde van mijn verlossing,bij de woorden van mijn jammerklacht?
Gij toch hebt mij uit de moederschoot getogen,Gij deedt mij vertrouwend rusten aan de borst van mijn moeder;
Als water ben ik uitgestorten al mijn beenderen zijn ontwricht;mijn hart is geworden als was,het is gesmolten in mijn binnenste;
verdroogd als een scherf is mijn kracht,mijn tong kleeft aan mijn gehemelte;in het stof des doods legt Gij mij neer.
Want honden hebben mij omringd,een bende boosdoeners heeft mij omsingeld,die mijn handen en voeten doorboren.
Gij, die de Here vreest, looft Hem,verheerlijkt Hem, gij ganse nageslacht van Jakob,en hebt ontzag voor Hem, gij ganse nageslacht van Israël.
Want Hij heeft niet veracht noch versmaadde ellende van de ellendige,en zijn aangezicht niet voor hem verborgen,maar Hij heeft gehoord, toen hij tot Hem riep.
Van U komt mijn lof in een grote gemeente,mijn geloften zal ik betalenin de tegenwoordigheid van wie Hem vrezen.
De ootmoedigen zullen eten en verzadigd worden,wie de Here zoeken, zullen Hem loven,uw hart leve op, voor immer.
Alle einden der aarde zullen het gedenkenen zich tot de Here bekeren;alle geslachten der volkenzullen zich nederbuigen voor uw aangezicht.
Alle welgedanen der aarde eten en aanbidden;voor Hem knielen allen die in het stof nederdalen,en wie zijn ziel niet in leven kan houden.