Chapter 22 of 150

Psalmen22

nld_

Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op Aijeleth hasschachar. (22:2) Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?

(22:3) Mijn God! Ik roep des daags, maar Gij antwoordt niet; en des nachts, en ik heb geen stilte.

(22:4) Doch Gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels.

(22:5) Op U hebben onze vaders vertrouwd; zij hebben vertrouwd, en Gij hebt hen uitgeholpen.

(22:6) Tot U hebben zij geroepen, en zijn uitgered; op U hebben zij vertrouwd, en zijn niet beschaamd geworden.

(22:7) Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van mensen, en veracht van het volk.

(22:8) Allen, die mij zien, bespotten mij; zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:

(22:9) Hij heeft het op den HEERE gewenteld, dat Hij hem nu uithelpe, dat Hij hem redde, dewijl Hij lust aan hem heeft!

(22:10) Gij zijt het immers, die mij uit den buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen, zijnde aan mijner moeders borsten.

(22:11) Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.

(22:12) Zo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij; want er is geen helper.

(22:13) Vele varren hebben mij omsingeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd.

(22:14) Zij hebben hun mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

(22:15) Ik ben uitgestort als water, en al mijn beenderen hebben zich vaneen gescheiden; mijn hart is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

(22:16) Mijn kracht is verdroogd als een potscherf, en mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; en Gij legt mij in het stof des doods.

(22:17) Want honden hebben mij omsingeld; een vergadering van boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijn handen en mijn voeten doorgraven.

(22:18) Al mijn beenderen zou ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.

(22:19) Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

(22:20) Maar Gij, HEERE! wees niet verre; mijn Sterkte! haast U tot mijn hulp.

(22:21) Red mijn ziel van het zwaard, mijn eenzame van het geweld des honds.

(22:22) Verlos mij uit des leeuwen muil; en verhoor mij van de hoornen der eenhoornen.

(22:23) Zo zal ik Uw Naam mijn broederen vertellen; in het midden der gemeente zal ik U prijzen.

(22:24) Gij, die den HEERE vreest! prijst Hem; al gij zaad van Jakob! vereert Hem; en ontziet u voor Hem, al gij zaad van Israel!

(22:25) Want Hij heeft niet veracht, noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch Zijn aangezicht voor hem verborgen; maar Hij heeft gehoord, als die tot Hem riep.

(22:26) Van U zal mijn lof zijn in een grote gemeente; ik zal mijn geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen, die Hem vrezen.

(22:27) De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden; zij zullen den HEERE prijzen, die Hem zoeken; ulieder hart zal in eeuwigheid leven.

(22:28) Alle einden der aarde zullen het gedenken, en zich tot den HEERE bekeren; en alle geslachten der heidenen zullen voor Uw aangezicht aanbidden.

(22:29) Want het koninkrijk is des HEEREN, en Hij heerst onder de heidenen.

(22:30) Alle vetten op aarde zullen eten, en aanbidden; allen, die in het stof nederdalen, zullen voor Zijn aangezicht nederbukken; en die zijn ziel bij het leven niet kan houden.

(22:31) Het zaad zal Hem dienen; het zal den HEERE aangeschreven worden tot in geslachten.

(22:32) Zij zullen aankomen, en Zijn gerechtigheid verkondigen den volke, dat geboren wordt, omdat Hij het gedaan heeft.

Psalmen 22 · KJV Audio
0:00
0:00