Voor de koorleider. Van de knecht des Heren, van David, die tot de Here de woorden van dit lied sprak, ten dage dat de Here hem verlost had uit de greep van al zijn vijanden en uit de hand van Saul.
o Here, mijn steenrots, mijn vesting en mijn bevrijder,mijn God, mijn Rots, bij wie ik schuil,mijn schild, hoorn mijns heils, mijn burcht.
Toen het mij bang te moede was, riep ik de Here aan,tot mijn God riep ik om hulp.Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis,mijn hulpgeroep tot Hem drong door in zijn oren.
Toen dreunde en beefde de aardeen de grondvesten der bergen sidderdenen daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was.
Hij stelde het duister tot zijn omhulsel,tot zijn beschutting rondom Zich:duistere wateren, wolkengevaarten.
De Here deed de donder in de hemel weerklinken,de Allerhoogste verhief zijn stem – [hagel en vurige kolen].
Toen werden de beddingen der wateren zichtbaaren de grondvesten der wereld kwamen blootvanwege uw dreigen, o Here,vanwege het blazen van de adem van uw neus.
Ook gaaft Gij mij het schild uws heils,en uw rechterhand ondersteunde mij,uw nederbuigende goedheid maakte mij groot.
Gij deedt mij ontkomen aan de twisten van het volk,Gij steldet mij tot hoofd der natiën;volken die ik niet kende, werden mij dienstbaar;
nauwelijks hadden zij van mij gehoord,of zij gehoorzaamden mij;vreemden veinsden onderdanigheid tegenover mij.
die mij van mijn vijanden heeft gered.Ja, Gij hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden,Gij hebt mij gered van de geweldenaar.