Chapter 135 of 150

Psalmen135

Halleluja! Looft Jahweh’s Naam, Looft Hem, dienaars van Jahweh:

Gij, die in het huis van Jahweh staat, In de voorhoven van het huis van onzen God!

Looft Jahweh: want Jahweh is goed, Verheerlijkt zijn Naam: want die is zo lieflijk;

Want Jahweh heeft Zich Jakob verkoren, En Israël tot zijn bezit!

Ja, ik weet het: Jahweh is groot, Onze Heer boven alle goden verheven;

Jahweh doet wat Hij wil In hemel en aarde, in zeeën en diepten.

Hij laat de wolken verrijzen Aan de kimmen der aarde; Smeedt de bliksem tot regen, Haalt de wind uit zijn schuren.

Hij was het, die Egypte’s eerstgeborenen sloeg, Van mensen en vee;

Die tekenen en wonderen deed in uw midden, Egypte, Tegen Farao en al die hem dienden;

Die talrijke volken versloeg, En machtige koningen doodde:

Sichon, den vorst der Amorieten, En Og, den koning van Basjan. Hij was het, die alle vorsten vernielde En alle koninkrijken van Kanaän;

En die hun land ten erfdeel gaf, Tot bezit aan Israël, zijn volk.

Uw Naam duurt eeuwig, o Jahweh, Uw roem, o Jahweh, van geslacht tot geslacht;

Want Jahweh schaft recht aan zijn volk, En ontfermt Zich over zijn dienaars.

Maar de goden der volken zijn zilver en goud, Door mensenhanden gemaakt:

Ze hebben een mond, maar kunnen niet spreken; Ogen, maar kunnen niet zien;

Oren, maar kunnen niet horen; Ze hebben geen adem in hun mond.

Aan hen worden gelijk, die ze maken, En allen, die er op hopen!

Huis van Israël, zegent dan Jahweh; Huis van Aäron, zegent dan Jahweh;

Huis van Levi, zegent dan Jahweh; Die Jahweh vrezen, zegent dan Jahweh;

Gezegend zij Jahweh uit Sion, Hij, die in Jerusalem woont!

Psalmen 135 · KJV Audio
0:00
0:00