Chapter 12 of 150

Psalmen12

1

Voor de koorleider. Op de wijze van: De achtste. Een psalm van David.

2

Help toch, Here, want er zijn geen vromen meer;ja, de getrouwen zijn schaars onder de mensenkinderen.

3

Zij spreken valsheid tegen elkander,zij spreken dubbelhartig, met gladde lippen.

4

De Here verdelge alle gladde lippenen elke grootsprekende tong;

5

hen die zeggen: Met onze tong zijn wij sterk;onze lippen zijn met ons – wie is heer over ons?

6

Om de onderdrukking der ellendigen, het zuchten der armen,maak Ik Mij thans op, zegt de Here;Ik stel in veiligheid wie daarnaar smacht.

7

De woorden des Heren zijn zuivere woorden,gedegen zilver, in een smeltoven in de aardezevenvoudig gelouterd.

8

Gij, Here, zult ze gestand doen,ons altoos beschermen tegen dit geslacht;

9

de goddelozen draven rond,terwijl snoodheid bij de mensenkinderen het hoofd opsteekt.

Psalmen 12 (nld_nbg) — EdenLecta