Chapter 129 of 150

Psalmen129

Een bedevaartslied. Van jongs af heeft men wreed mij mishandeld, Mag Israël wel zeggen;

Mij hardvochtig gekweld sinds mijn jeugd, Maar nooit mij gebroken.

Ploegers hebben mijn rug beploegd, En lange voren getrokken;

Maar Jahweh bleef trouw: De riemen der bozen sneed Hij stuk.

Beschaamd moeten vluchten Alle haters van Sion.

Ze zullen worden als gras op de daken, Dat vóór het opschiet, verdort;

Waarmee geen maaier zijn hand kan vullen, Geen hooier zijn arm.

En niemand zal in het voorbijgaan zeggen: “De zegen van Jahweh over u; Wij zegenen u in Jahweh’s Naam!”

Psalmen 129 · KJV Audio
0:00
0:00