Zodra het ochtend werd, kwamen de hoofdpriesters met de oudsten, Schriftgeleerden en de hele Joodse raad tot een gezamenlijk besluit. Ze leidden Jezus gebonden weg en leverden Hem over aan Pilatus.
Iemand die Barabbas heette, zat gevangen met de opstandelingen die zich tijdens het oproer aan moord hadden schuldig gemaakt.
Daarom vroeg Pilatus hen: “Wat willen jullie dat ik doe met de Man die jullie de koning van de Joden noemen?”
Pilatus besloot om de menigte tevreden te stellen. Daarom liet hij Barabbas vrij, maar Jezus liet hij geselen en vervolgens wegleiden om te worden gekruisigd.
De soldaten leidden Jezus het paleis – dat wil zeggen: het hoofdkwartier – binnen en riepen hun gehele legerafdeling bijeen.
Vervolgens trokken ze Jezus een paarse mantel aan en vlochten ze een krans van doorntakken die ze Hem als een kroon opzetten.
Nadat ze zo de spot met Jezus hadden gedreven, trokken ze Hem de paarse mantel uit en zijn eigen kleren aan. Vervolgens leidden ze Hem naar buiten om Hem te kruisigen.
Er was een voorbijganger die van het land kwam, Simon van Cyrene, de vader van Alexander en Rufus. Hem dwongen ze, Jezus' kruis te dragen.
De voorbijgangers beledigden Jezus door hoofdschuddend te roepen: “Ha, Jij die de tempel verwoest en binnen drie dagen herbouwt!
Ook de hoofdpriesters en de Schriftgeleerden bespotten Hem, door tegen elkaar te zeggen: “Anderen heeft Hij gered, maar zichzelf redden kan Hij niet.
Laat die Messias, die koning van Israël, maar van het kruis afkomen. Als we dat zien, zullen we geloven.” Zelfs zij die samen met Jezus werden gekruisigd, bespotten Hem.
Om drie uur 's middags riep Jezus luid: “Eloï, Eloï, lama sabachtani?” Dat betekent: Mijn God, Mijn God, waarom heeft U Mij verlaten?
Iemand haalde snel een spons, vulde die met zure wijn en stak hem op een stok om Jezus te drinken te geven, terwijl hij zei: “Wacht, laten we kijken of Elia Hem van het kruis komt halen.”
Toen de centurio die tegenover Jezus stond, zag dat Hij op die wijze was gestorven, zei hij: “Deze man was werkelijk de Zoon van God.”
Er waren vrouwen die vanop een afstand toekeken, waaronder Maria van Magdala, Maria de moeder van Jakobus de Jongere en van Joses, en Salome.
Zij hadden Jezus gevolgd en gediend toen Hij in Galilea was. Er waren ook veel andere vrouwen bij, die met Hem naar Jeruzalem waren meegekomen.
vatte Jozef van Arimatea, een vooraanstaand lid van de Joodse raad die zelf ook Gods koninkrijk verwachtte, moed en ging hij Pilatus vragen om Jezus' lichaam.
Pilatus verbaasde zich erover dat Jezus al gestorven zou zijn en ontbood de centurio om hem te vragen of Hij al gestorven was.
Jozef kocht een stuk linnen, haalde Jezus van het kruis, wikkelde Hem in het linnen, legde Hem in een graf dat in de rots was uitgehouwen en rolde een steen voor de ingang van dat graf.