Toen kwam de duivel Hem op de proef stellen. Hij zei: “Als U de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze stenen dat ze broden moeten worden.”
Maar Jezus antwoordde: “In de Schriften staat: ‘De mens leeft niet alleen van brood, maar van ieder woord dat uit Gods mond komt.’”
Hij zei tegen Hem: “Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden, want in de Schriften staat: ‘Hij zal zijn engelen bevelen jou te beschermen; dan zullen zij je op hun handen dragen, zodat je je voet niet aan een steen stoot.’”
Vervolgens leidde de duivel Hem naar een zeer hoge berg en toonde hij Hem alle koninkrijken van de wereld en hun pracht.
Maar Jezus zei tegen hem: “Ga weg, Satan, want in de Schriften staat: ‘Aanbid de Heer, je God, en dien alleen Hem.’”
Daar verhuisde Hij van Nazaret naar Kafarnaüm; dat ligt aan het meer in het gebied van Zebulon en Naftali.
“Land van Zebulon en land van Naftali, aan de weg naar zee voorbij de Jordaan, Galilea van de andere volken:
Het volk dat in het duister woonde, heeft een groot licht gezien, en voor hen die woonden waar de schaduw van de dood heerste, is een licht gaan schijnen.”
Toen Jezus langs het Meer van Galilea wandelde, zag Hij twee broers: Simon, die Petrus wordt genoemd, en zijn broer Andreas. Ze waren bezig een net in het meer uit te werpen, want ze waren vissers.
Iets verderop zag Hij nog twee broers: Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en zijn broer Johannes. Ze waren met hun vader Zebedeüs in de boot de netten aan het klaarmaken. Toen Jezus hen riep,
Jezus trok door heel Galilea, waar Hij in de synagogen onderwees, het evangelie van Gods koninkrijk verkondigde en iedere ziekte en aandoening van de mensen genas.
Het nieuws over Hem verspreidde zich door heel Syrië en men bracht alle mensen bij Hem die aan allerlei aandoeningen, ziekten en pijnlijke kwalen leden, die bezeten waren, epilepsie hadden of verlamd waren, en Hij genas hen.