Daarna kwam het lot voor de Jozefieten te voorschijn. (De grens liep) van de Jordaan bij Jericho, oostelijk van de wateren van Jericho, door de woestijn, die van Jericho oploopt in het gebergte naar Betel,
en zij daalde westwaarts naar het gebied der Jaflieten, tot het gebied van Laag-Bet-Choron en verder tot Gezer, om bij de zee te eindigen.
Het gebied der Efraïmieten naar hun geslachten was als volgt: de oostelijke grens van hun erfdeel was Atrot-Addar tot Hoog-Bet-Choron.
Westwaarts liep de grens ten noorden van Mikmetat; dan boog de grens oostwaarts naar Taänat-Silo, en ging vandaar verder tot oostelijk van Janoach;
dan daalde zij van Janoach af naar Atarot en Naärat, raakte het gebied van Jericho en eindigde bij de Jordaan.
Van Tappuach af liep de grens westwaarts naar de beek Kana, om te eindigen bij de zee. Dit was het erfdeel van de stam der Efraïmieten naar hun geslachten.
Verder de steden, die voor de Efraïmieten binnen het erfdeel der Manassieten waren afgezonderd, al die steden en haar dorpen.