Mogen donkerheid en diepe duisternis beslag op hem leggen,moge wolkgevaarte zich over hem legeren,zonsverduistering hem verschrikken.
Die nacht – duisternis neme hem weg,hij verheuge zich niet onder de dagen van het jaar,hij kome niet in de reeks der maanden.
Dat de sterren zijner morgenschemering verduisterd worden;hij wachte op licht, maar het kome niet,hij aanschouwe niet de wimpers van de dageraad,
omdat hij de deuren van de schoot zijner moeder niet toeslooten voor mijn ogen de moeite niet verborgen hield.
Waarom ben ik niet bij de geboorte gestorven,heb ik niet de geest gegeven,toen ik uit de moederschoot kwam?
Of waarom was ik niet als een misgeboorte, die weggestopt wordt,als kinderkens, die het licht niet aanschouwden?
(Waarom geeft Hij het licht) aan een man,wiens weg verborgen is,aan wie God elke uitweg heeft afgesneden?