Zo waar God leeft, die mij mijn recht onthoudt,en de Almachtige, die mijn ziel met bitterheid heeft vervuld –
Het zij verre van mij, dat ik u gelijk zou geven;totdat ik de geest geef, zal ik mijn onschuld niet prijsgeven.
Aan mijn gerechtigheid houd ik vast en ik geef haar niet op;mijn hart veroordeelt niet een mijner dagen.
Dit is van Godswege het deel van de goddeloze mens,het erfdeel van de geweldenaars,dat zij van de Almachtige ontvangen:
als zijn kinderen talrijk worden – het is voor het zwaard,en zijn spruiten worden niet met brood verzadigd;
hij verschaft zich die, maar de rechtvaardige bekleedt er zich mee,en de onschuldigen verdelen het geld.
Rijk legt hij zich ter ruste, maar hij kan het niet weer doen,hij doet zijn ogen open en er is niets meer.