Mijn ziel heeft een afschuw van het leven,ik wil mijn klacht de vrije loop laten,spreken in de bitterheid mijner ziel.
Brengt het U voordeel, dat Gij verdrukt,dat Gij verwerpt het gewrocht uwer handenen over de raad der goddelozen licht laat stralen?
Uw handen hebben mij gewrocht en gevormd,geheel en volledig; en wilt Gij mij in het verderf storten?
wanneer ik zou zondigen, dan zoudt Gij mij waarnemenen mij van mijn ongerechtigheid niet vrijspreken.
Indien ik schuldig stond – wee mij!en was ik onschuldig – ik zou, zat van smaad,en ziende op mijn ellende,mijn hoofd niet kunnen opheffen.
Zou het zich verheffen, dan zoudt Gij als een leeuwjacht op mij maken,en uw wondermacht tegen mij opnieuw tonen.
Steeds nieuwe getuigen zoudt Gij tegen mij oproepen,uw wrevel tegen mij steeds vergroten –troepen, ja een leger tegen mij!