Later vertrok Jezus naar de overkant van het Meer van Galilea. (Dit wordt ook het Meer van Tiberias genoemd.)
Een grote menigte volgde Hem, want de mensen hadden de wonderlijke tekenen gezien die Hij had verricht bij mensen met ernstige aandoeningen.
Jezus keek om zich heen en zag dat er een grote menigte naar Hem toekwam. Toen vroeg Hij aan Filippus: “Waar zullen we brood kopen, zodat deze mensen kunnen eten?”
Filippus antwoordde: “Zelfs tweehonderd denarie zou onvoldoende zijn om ervoor te zorgen dat iedereen wat eten zou krijgen.”
“Er is hier een jongen die vijf gerstebroden en twee vissen heeft, maar wat hebben we daar aan voor zoveel mensen?”
Jezus zei: “Zeg tegen de mensen dat ze moeten plaatsnemen.” Er was op die plaats veel gras en de mensen namen plaats. Het aantal mannen bedroeg ongeveer vijfduizend.
Toen nam Jezus de broden. Hij sprak het dankgebed uit en liet aan de mensen die hadden plaatsgenomen zoveel uitdelen als ze wilden. Hetzelfde deed hij met de vissen.
Toen de mensen voldoende hadden gegeten, zei Jezus tegen zijn leerlingen: “Verzamel de overgebleven brokken, zodat er niets verloren gaat.”
Ze verzamelden de brokken van de vijf gerstebroden die waren overgelaten door de mensen die hadden gegeten. Ze vulden er twaalf manden mee.
Bij het zien van het wonderlijke teken dat Jezus had verricht, zeiden de mensen: “Deze Man is werkelijk de profeet die naar de wereld zou komen.”
Jezus merkte dat ze Hem onder dwang wilden meenemen om Hem tot koning uit te roepen. Daarom trok Hij zich weer terug, de berg op, om alleen te zijn.
Ze stapten in een boot om het meer over te steken, naar Kafarnaüm. Het was al donker geworden en Jezus was nog niet naar hen toe gekomen.
Toen ze ongeveer vijf of zes kilometer hadden geroeid, zagen ze Jezus over het meer wandelen. Hij kwam dicht bij de boot en ze werden bang.
De volgende dag kwam de menigte die aan de overkant van het meer was gebleven tot het besef dat er slechts één bootje was geweest en dat Jezus niet samen met zijn leerlingen in de boot was gestapt, maar dat zijn leerlingen zonder Hem waren vertrokken.
Dicht bij de plaats waar men het brood had gegeten nadat de Heer het dankgebed had uitgesproken, kwamen andere bootjes uit Tiberias aan.
Toen de mensen zagen dat Jezus er niet was en zijn leerlingen ook niet, stapten ze in die bootjes en voeren ze naar Kafarnaüm om naar Hem te zoeken.
Toen ze Jezus aan de overkant van het meer hadden gevonden, vroegen ze Hem: “Rabbi, wanneer bent U hier aangekomen?”
Jezus antwoordde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, jullie zoeken Mij niet omdat jullie wonderlijke tekenen hebben gezien, maar omdat jullie je hebben volgegeten met de broden.
Zet je niet in voor voedsel dat bederft, maar voor het voedsel dat goed blijft tot in het eeuwig leven. De Mensenzoon zal het jullie geven, want God de Vader heeft zijn stempel van goedkeuring op Hem gedrukt.”
Ze vroegen Jezus: “Welk wonderlijke teken gaat U verrichten, zodat wij het kunnen zien en U dan geloven? Wat gaat U doen?
Onze voorouders aten het manna toen ze in de wildernis waren. Er staat immers in de Schriften: ‘Hij gaf hun brood uit de hemel te eten.’”
Jezus antwoordde: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, het was niet Mozes die jullie het brood uit de hemel gaf, maar mijn Vader. Hij geeft jullie het ware brood uit de hemel.
Jezus zei tegen hen: “Ik ben het brood dat leven geeft. Wie bij Mij komt, zal nooit meer honger hebben, en wie in Mij gelooft, zal nooit meer dorst hebben.
Ieder die de Vader aan Mij toevertrouwt, zal bij Mij komen en wie bij Mij komt, zal niet door Mij worden weggestuurd.
Ik ben namelijk niet uit de hemel neergedaald om te doen wat Ik zelf wil, maar om te doen wat Hij wil, die Mij gestuurd heeft.
En wat Hij die Mij gestuurd heeft wil, is dat Ik geen van de mensen die Hij Mij heeft toevertrouwd, verloren laat gaan, maar dat Ik hen doe verrijzen op de Laatste Dag.
Dit is wat mijn Vader wil: dat ieder die de Zoon ziet en in Hem gelooft, het eeuwig leven zal hebben en dat Ik hem op de Laatste Dag zal doen verrijzen.”
De Joodse leiders begonnen over Jezus te mopperen, omdat Hij had gezegd: “Ik ben het brood dat uit de hemel is neergedaald.”
Ze zeiden: “Is dit niet Jezus de zoon van Jozef? Wij weten wie zijn vader en moeder zijn. Hoe kan Hij dan zeggen: ‘Ik ben uit de hemel neergedaald?’”
Niemand kan bij Mij komen tenzij de Vader, die Mij heeft gestuurd, hem naar Mij toe leidt. Dan zal Ik hem op de Laatste Dag doen verrijzen.
In de Profeten staat: ‘Zij zullen allen door God worden onderwezen.’ Ieder die naar de Vader luistert en van Hem heeft geleerd, komt bij Mij.
Ik ben het brood dat leven geeft en dat uit de hemel is neergedaald; als iemand van dit brood eet, zal hij voor eeuwig leven. Het brood dat Ik geef om de wereld te doen leven is mijn lichaam.”
De Joodse leiders begonnen met elkaar te ruziën. Ze zeiden: “Hoe kan Hij ons zijn lichaam te eten geven?”
Jezus zei tegen hen: “Ik zeg jullie nadrukkelijk, als jullie niet van het lichaam van de Mensenzoon eten en van zijn bloed drinken, kunnen jullie het eeuwig leven niet in je hebben.
Wie van mijn lichaam eet en van mijn bloed drinkt, heeft het eeuwig leven, en op de Laatste Dag zal Ik hem doen verrijzen.
Zoals Ik leef dankzij de Vader die het leven geeft, de Vader die Mij heeft gezonden, zo is het ook met wie van Mij eet: hij zal leven dankzij Mij.
Dit is het brood dat uit de hemel is neergedaald. Het is niet zoals het brood dat de voorouders aten. Zij zijn gestorven, maar wie van dit brood eet, zal voor eeuwig leven.”
Veel van zijn leerlingen die hiernaar hadden geluisterd, zeiden: “Dit zijn harde woorden; wie kan ernaar luisteren?”
Jezus had door dat zijn leerlingen hierover aan het mopperen waren. Daarom vroeg Hij hen: “Ergeren jullie je hieraan?
Het is de Geest die leven geeft; menselijke inspanningen baten niet. Wat Ik jullie heb verteld, is van de Geest en geeft leven.
Maar sommigen van jullie geloven niet.” Jezus wist namelijk vanaf het begin wie er niet geloofden en wie het was die Hem zou verraden.
Hij zei: “Daarom had Ik tegen jullie gezegd dat niemand bij Mij kan komen tenzij de Vader hem ertoe in staat stelt.”
Simon Petrus antwoordde: “Heer, naar wie zouden we toe gaan? De woorden die U spreekt, bieden het eeuwig leven.
Jezus zei tegen Petrus: “Ik heb jullie zelf gekozen, alle twaalf, maar één van jullie is een duivel.”