Mijn leer druipe als regen,mijn rede druppele als dauw,als regenbuien op het jonge groen,en als regenstromen op het kruid;
de Rots, wiens werk volkomen is,omdat al zijn wegen recht zijn;een God van trouw, zonder onrecht,rechtvaardig en waarachtig is Hij.
Verderfelijk hebben tegen Hem gehandeld,die zijn zonen niet zijn, maar een schandvlek,een verkeerd en vals geslacht.
Vergeldt gij op deze wijze de Here,gij dwaas en onwijs volk?Is Hij niet uw Vader, die u geschapen heeft,die u gemaakt heeft en toebereid?
Gedenk aan de dagen van weleerlet op de jaren van geslacht na geslacht;vraag uw vader, dat hij het u meedele,uw oudsten, dat zij het u zeggen.
Toen de Allerhoogste aan de volken hun erfenis toedeelde,toen Hij de mensenkinderen van elkander scheidde,heeft Hij de grenzen der volken vastgesteldnaar het aantal der zonen van Israël.
Hij vond hem in een land van steppen,in een woest land van gehuil in de wildernis.Hij beschutte hem, lette op hem,bewaarde hem als zijn oogappel.
Als een arend, die zijn broedsel opwekt,over zijn jongen zweeft,zijn wieken uitspreidt, er een opneemten draagt op zijn vlerken,
Hij deed hem rijden over de hoogten der aarde,en eten de opbrengst van het veld;Hij deed hem honig zuigen uit de rots,en olie uit het keihard gesteente.
Boter van runderen en melk van kleinvee,met vet van lammeren;en rammen van Basan en bokken,met het vetste der tarwe;en druivebloed dronkt gij, schuimende wijn.
Toen werd Jesurun vet, en sloeg achteruit– vet werd gij, dik en vet gemest –en hij verwierp God, die hem gemaakt had,hij minachtte de Rots van zijn heil.
zij offerden aan de boze geesten, die geen goden zijn,aan goden, die zij niet hebben gekend,nieuwe goden, die kort tevoren opgekomen waren,voor welke uw vaderen niet gehuiverd hadden.
Hij zeide: Ik wil mijn aangezicht voor hen verbergenen zien, wat hun einde wezen zal,want zij zijn een verkeerd geslacht,kinderen, die geen trouw kennen.
Zij verwekten Mij tot naijver door wat geen god is,zij krenkten Mij met hun ijdelheden.Daarom zal Ik hen tot naijver verwekken door wat geen natie is,door een dwaas volk zal Ik hen krenken.
Want een vuur is in mijn toorn ontstoken,het brandt tot in de diepten van het dodenrijk;het verteert de aarde met wat zij opbrengten verzengt de grondvesten der bergen.
Als zij uitgeput zijn van honger en verteerd van koortsgloeden dodelijke ziekte,dan zal Ik de tanden der wilde dieren tegen hen loslaten,met het venijn van wat schuifelt in het stof.
Buitenshuis zal het zwaard verdelgen,en binnenskamers de ontzetting:jongeling zowel als maagd,zuigeling en grijsaard.
Ik zou gezegd hebben: Ik zal hen wegblazen,een einde maken aan hun gedachtenis onder de stervelingen,
indien Ik de hoon van de vijand niet gevreesd had,dat hun tegenstanders het zouden misverstaanen zeggen: onze hand was verheven,niet de Here heeft dit alles gedaan.
Hoe zou één er duizend kunnen najagenen zouden twee er tienduizend op de vlucht kunnen drijven,als niet hun Rots hen verkochten de Here hen prijsgegeven had.
Waarlijk, hun wijnstok stamt uit de wijnstok van Sodomen uit de wijngaarden van Gomorra;hun druiven zijn giftige druiven,bitter zijn hun trossen.
Mij komt de wraak toe en de vergeldingtegen de tijd, dat hun voet zal wankelen,want de dag van hun verderf is nabij,snel komt nader wat over hen is beschikt.
Want de Here zal recht doen aan zijn volken Zich ontfermen over zijn knechten;wanneer Hij ziet, dat hun kracht vergaan is,van hoog tot laag allen hun einde gevonden hebben,
die het vet van hun slachtoffers aten,de wijn van hun plengoffers dronken?Laat hen opstaan om u te redden,zodat gij bescherming vindt.
Ziet nu, dat Ik, Ik het ben,daar is geen God, behalve Mij.Ik dood en doe herleven,Ik verbrijzel en Ik genees,en niemand is er die redt uit mijn macht.
als Ik mijn bliksemend zwaard wet,en mijn hand grijpt naar het gericht,dan zal Ik wraak oefenen aan mijn tegenstanders,en vergelding brengen over wie Mij haten.
Ik zal mijn pijlen dronken maken van bloed,en mijn zwaard zal vlees verslinden:het bloed der verslagenen en der gevangenen,de harige hoofden der vijanden.
Jubelt, gij natiën, om zijn volk,want Hij wreekt het bloed van zijn knechten,Hij oefent wraak aan zijn tegenstandersen verzoent zijn land, zijn volk.
Mozes dan kwam en sprak ten aanhoren van het volk al de woorden van dit lied, samen met Hosea, de zoon van Nun.
zeide hij tot hen: Neemt al de woorden ter harte, waarmee ik u heden vermaan, opdat gij daarmee uw kinderen zult opdragen al de woorden dezer wet nauwgezet te onderhouden.
Want dit is voor u geen ledig woord, maar dit is uw leven: door dit woord zult gij lang wonen in het land, dat gij na het overtrekken van de Jordaan in bezit zult nemen.
Beklim dit gebergte, de Abarim – de berg Nebo, die in het land Moab ligt, tegenover Jericho – en aanschouw het land Kanaän, dat Ik de Israëlieten in bezit zal geven,
en sterf op de berg, die gij beklimmen zult, opdat gij tot uw voorgeslacht vergaderd wordt, zoals uw broeder Aäron op de berg Hor gestorven en tot zijn voorgeslacht vergaderd is –
omdat gij ontrouw jegens Mij geweest zijt te midden van de Israëlieten, bij de wateren van Meribat-Kades in de woestijn Sin, en gij Mij niet geheiligd hebt te midden van de Israëlieten.