De apostelen en de gelovigen in heel Judea hoorden dat ook niet-Joden het Woord van God hadden aanvaard.
“Ik was in de stad Joppe aan het bidden en werd overvallen door een visioen. Ik zag een voorwerp dat op een groot laken leek en dat aan de vier hoeken uit de hemel werd neergelaten. Het kwam vlak voor mij terecht.
De stem uit de hemel sprak nogmaals: ‘Wat God rein heeft verklaard, mag jij niet als onrein behandelen.’
En precies op dat moment stonden er drie mannen bij het huis waar ik logeerde. Ze waren vanuit Caesarea naar mij toe gezonden.
De Geest zei tegen me dat ik zonder aarzelen met hen moest meegaan. Deze zes geloofsgenoten hier kwamen ook mee, en we zijn het huis van de man binnengegaan.
Hij vertelde ons hoe hij een engel in zijn huis had zien staan, die zei: ‘Stuur iemand naar Joppe om Simon op te halen, die Petrus wordt genoemd.
Ik was nauwelijks begonnen met spreken toen de Heilige Geest over hen kwam zoals in het begin ook over ons.
En ik herinnerde mij de woorden van de Heer. Hij had gezegd: ‘Johannes doopte met water, maar jullie zullen worden gedoopt met de Heilige Geest.’
Dus als God hun hetzelfde geschenk heeft gegeven als aan ons toen wij tot geloof in de Heer Jezus Christus waren gekomen, wie ben ik dan om te proberen God tegen te houden?”
Toen ze dit hoorden, waren ze gerustgesteld en verheerlijkten ze God met de woorden: “Blijkbaar heeft God ook aan de niet-Joodse volken de inkeer geschonken die tot het leven leidt.”
Inmiddels waren zij die verspreid waren geraakt wegens de onderdrukking na wat er met Stefanus was gebeurd, naar Fenicië, Cyprus en Antiochië getrokken. Ze verkondigden het evangelie uitsluitend aan Joodse mensen.
Maar sommigen van hen – afkomstig van Cyprus en Cyrene – spraken na hun aankomst in Antiochië ook met Griekstaligen en verkondigden hun het evangelie – Jezus is Heer.
De zegen van de Heer rustte op hen. Een groot aantal mensen kwam tot geloof en bekeerde zich tot de Heer.
Het nieuws hierover bereikte de kerkgemeenschap in Jeruzalem en men stuurde Barnabas naar Antiochië.
Toen die aankwam en zag dat Gods genade aan het werk was, was hij verheugd en spoorde hij allen aan, van harte aan de Heer toegewijd te blijven.
Barnabas was een goed mens, vol van de Heilige Geest en geloof. En een groot aantal mensen werd voor de Heer gewonnen.
En toen hij hem had gevonden, nam hij hem mee naar Antiochië. Een jaar lang kwamen Barnabas en Saulus met de kerkgemeenschap bijeen en onderwezen ze een groot aantal mensen. Het was in Antiochië dat de volgelingen van Jezus voor het eerst christenen werden genoemd.
Een van hen – hij heette Agabus – stond op en voorspelde door toedoen van de Geest dat er een grote hongersnood zou komen in het hele Romeinse rijk. (Die kwam er in de tijd van Claudius.)
Daarom besloten de volgelingen van Jezus, elk naar vermogen bijstand te sturen naar hun geloofsgenoten die in Judea woonden.