David sprak tot de Here de woorden van dit lied ten dage, dat de Here hem verlost had uit de greep van al zijn vijanden en uit de greep van Saul.
mijn God, de Rots, bij wie ik schuil,mijn schild, hoorn mijns heils, mijn burcht,mijn toevlucht, mijn verlosser; van geweld hebt Gij mij verlost.
Toen het mij bang te moede was, riep ik de Here aan;tot mijn God riep ik.En Hij hoorde mijn stem uit zijn paleis,mijn hulpgeroep klonk in zijn oren.
Toen dreunde en beefde de aarde,de grondvesten van de hemel sidderdenen daverden, omdat Hij in toorn ontbrand was.
Toen werden de beddingen der zee zichtbaar,de grondvesten der wereld kwamen blootdoor het dreigen van de Here,vanwege het blazen van de adem van zijn neus.
Gij deedt mij ontkomen aan de twisten van mijn volk,Gij hebt mij bewaard om hoofd te zijn der natiën;volken die ik niet kende, werden mij dienstbaar.
Vreemden veinsden onderdanigheid tegenover mij;nauwelijks hadden zij van mij gehoord,of zij gehoorzaamden mij.
en mij van mijn vijanden heeft bevrijd.Gij hebt mij verhoogd boven hen die tegen mij opstonden,Gij hebt mij gered van de geweldenaar.